Albatros van Yorick Goldewijk is een verhaal dat onder je huid kruipt. Het gaat over hoe mooi en hoe vreselijk alles is en over het einde van de wereld.
In het begin kan het verhaal nog alle kanten op. Een jongen ontwaakt en ontdekt dat alle mensen om hem heen in een dier veranderd zijn, behalve hijzelf. Abels moeder is een schichtig hert geworden, zijn vader een dartele hond, zijn beste vriend een lynx en de buurman een beer. Dat laat hem anders naar de dieren kijken: ‘Mier, ben jij iemand?’
Zitten we in een komisch verhaal? Nee, wordt al snel duidelijk. De mensdieren kunnen nog een dag in mensentaal praten, maar daarna verdwijnt iedereen voorgoed in de dierenwereld. Iedereen, behalve Abel dus. We zitten in een dystopisch en allesbehalve vrolijk verhaal. Met een ‘mensloze stilte’ en een ‘eenzaamheid die hij nog nooit had gevoeld: zo zuiver en scherp als de pijn in je tanden als je een hap van een ijsje neemt’. Want wie ben je als mens nog als je de enige bent?
Het gegeven van de allerlaatste mens(en) op aarde door een niet nader omschreven ramp is niet nieuw. We vinden het bijvoorbeeld terug in The Road, het met de Pullitzer Prize bekroonde boek van Cormac McCarthy. Of in het beklemmende De wand van Marlen Haushofer. In de jeugdliteratuur hebben we Papa is een hond van Guus Kuijer, waarin de hoofdpersoon, net als Abel, ontdekt dat alle mensen verdwenen zijn en zijn toevlucht tot de dieren zoekt.
Abel voelt anders dan Kuijers hoofdpersoon juist een grote afstand tot de dieren. Hij hoopt wanhopig dat nog ergens een ander mens overgebleven is. Die blijkt er te zijn, aan de overkant van de rivier, in het vijandelijke noorden. Kat is alles wat Abel niet is, stoer, cynisch en afwerend. Maar ze zijn tot elkaar veroordeeld. Met een scooter gaan ze samen op een roadtrip, naar de zee en, zo hoopt Abel, naar andere mensen.
Goldewijk schildert mooi hun toenadering tot elkaar. Waar ze eerst als kemphanen tegenover staan, als elkaars vijand in een oorlog die al generaties lang woedt, blijken ze steeds meer voor elkaar te zorgen, elkaar te kunnen troosten.
Tegelijkertijd wordt duidelijk dat er geen toekomst voor hen is. Dit is geen verhaal over opnieuw beginnen of tweede kansen, je voelt op je klompen aan dat Abel en Kat niet tot in lengte der dagen kunnen blijven rondcrossen en leven op chips en bonen uit blik. Hoe breit Goldewijk dit verhaal tot een einde? Die vraag wordt steeds klemmender, zeker omdat je je als lezer gaat hechten aan de hoofdpersonen en tegen beter weten in hoopt dat...
En dat is te danken aan het schrijftalent van Goldewijk. Hij zorgt ervoor dat het verhaal onder je huid kruipt. Het is ongemakkelijk en prachtig tegelijk. Een aanklacht tegen en ode aan de mensheid. Abel denkt daar veel over na, wat er samen met de mensen gaat verdwijnen. Oorlog, milieuverontreiniging, haat, egoïsme en woede. Maar ook muziek, verhalen, verbeeldingskracht en de kunst om te dromen. Alleen is dat natuurlijk erg vanuit de mensheid geredeneerd, beseft Abel. ‘Hij verbaasde zich erover hoe overweldigend mooi alles was. Ook zonder mensen ging dat gewoon door (…) Misschien was het zelfs makkelijker voor de wereld om mooi te zijn zonder mensen.’
Persoonlijk had ik het wel mooi gevonden als het boek was geëindigd zonder het laatste deel. Tegelijkertijd snap ik Goldewijks reden om het toe te voegen. Want dat laatste deel, ‘als je alle haat van alle liefde aftrekt’, is de ode aan de mens die hij de lezer wil meegeven. Omdat we domweg niet voorbij ons mens-zijn kunnen denken.